Er loopt een troepje dwergen door het bos. Ze zijn heel blij. Ze huppelen en dansen en zingen: 'We hebben tóverkracht, we hebben tóverkracht...!' Dan komt er een elfje langsvliegen. Ze ziet al die blije dwergen. Maar ze ziet ook een dwergje lopen dat helemaal niet blij is. Ze gaat naar het dwergje toe en vraagt: 'Wat is er met jou?' Zegt het dwergje: 'Mijn naam is To.'
Een jongen en een meisje van het platteland liggen naast elkaar langs de dijk. Klimt er opeens een stier bovenop een koe. Zegt die jongen tegen dat meisje: 'Zal ik dat ook eens doen?' Zegt het meisje: 'Wat kan mij het schelen? Het zijn mijn koeien niet.'
Net getrouwd stel. Duiken in bed. Zij kijkt onder de dekens, waarop ze tegen haar man zegt: 'O, wat lief van je om mijn naam op je pielemoos te zetten.' Waarop die knul zegt: 'Je moest eens weten wat voor moeite ik heb gehad om dat ding in die schrijfmachine te krijgen.'
Een jongen en een meisje van het platteland liggen naast elkaar langs de dijk. Klimt er opeens een stier bovenop een koe. Zegt die jongen tegen dat meisje: 'Zal ik dat ook eens doen?' Zegt het meisje: 'Wat kan mij het schelen? Het zijn mijn koeien niet.'
Net getrouwd stel. Duiken in bed. Zij kijkt onder de dekens, waarop ze tegen haar man zegt: 'O, wat lief van je om mijn naam op je pielemoos te zetten.' Waarop die knul zegt: 'Je moest eens weten wat voor moeite ik heb gehad om dat ding in die schrijfmachine te krijgen.'